
En toen vond ik het een geschikt moment om eens terug te kijken naar de zin en onzin van al hetgeen ik in mijn leven heb geleerd in het reguliere onderwijs. Daarbij richt ik met vooral op de vraag: wat heeft het mij gebracht?
De vroege jaren: kleuterschool en lagere school
Op de kleuterschool (nu basisschool groep 1 en 2) lag de nadruk op spelenderwijs ontwikkelen van motoriek en sociale vaardigheden. Veel herinneringen heb ik er niet aan, behalve dat we met ruim dertig kinderen in één ruimte zaten en één leidster het overzicht moest houden. Het was eerder bezighouden dan onderwijs.
Op de lagere school (nu basisschool groep 3 t/m 8) verschenen de eerste vakken: taal, rekenen, aardrijkskunde, natuur, geschiedenis, gymnastiek, muziek, handenarbeid, tekenen en godsdienst. Achteraf gezien is dit de fase waarin ik het belangrijkste fundament meekreeg: lezen, schrijven en rekenen. Daar was ik goed in en dat vond ik dus ook leuk. Gymnastiek was een marteling; ik werd misselijk van de telkens terugkerende koprollen, maar dat interesseerde de leerkrachten niet. Godsdienst vond ik als kind best aardig, maar terugkijkend zie ik het als tijdverspilling en indoctrinatie. Aardrijkskunde en geschiedenis herinner ik me nauwelijks, wat veel zegt over de relevantie of de manier waarop ze zijn gegeven. Muziek, tekenen en handenarbeid waren leuk en hebben waarschijnlijk mijn creativiteit en klusvaardigheid bevorderd.
Het voortgezet onderwijs: Atheneum
Op het Atheneum werd het serieuzer: wiskunde, natuurkunde en scheikunde gaven me redeneervermogen en inzicht. Die kennis vind ik nog steeds waardevol. Begrijpen hoe materie is opgebouwd of hoe zwaartekracht werkt, helpt ook om niet in religieuze ‘verklaringen’ te vervallen. Taalvaardigheid in Nederlands en Engels bleek later cruciaal. Duits was door mijn tweetalige opvoeding geen probleem, Frans vond ik nutteloos en heb ik nooit meer gebruikt.
Andere vakken, zoals economie, waren dubbel werk. Alles wat ik daar leerde, kwam in verkorte vorm terug op het HBO en de universiteit. Geschiedenis en aardrijkskunde bleven in mijn ogen een ernstige verspilling van tijd en energie. Maatschappijleer daarentegen – destijds in feite een vorm van godsdienstles – leverde me begrip op voor andere culturen en hielp me inzien hoe zinloos geloofsconflicten zijn. Biologie bood nauwelijks diepgang, behalve de lessen over voortplanting – maar daar zou ik ook zonder school wel achter zijn gekomen.
Terugkijkend had het Atheneum voor mij in hooguit twee jaar gekund. De rest was tijdverspilling die vooral leidde tot verveling en kattenkwaad.
Hoger onderwijs: Post-HBO en universiteit
Pas tijdens de Post-HBO Opleiding Bedrijfskunde werd het serieus. Daar leerde ik vakken die direct toepasbaar waren: economie, organisatiekunde, marketing, statistiek, recht en communicatie. Hier werd de basis gelegd die mijn loopbaan richting gaf. Aan de universiteit (Katholieke Universiteit Nijmegen, nu Radboud) studeerde ik bedrijfseconomische wetenschappen, afstudeerrichting Bedrijfskunde. Vrijwel alle vakken waren van waarde: organisatiediagnose, HRM, informatiebeleid, logistiek en internationalisering. Alleen Management & Filosofie viel tegen: de docent slaagde er domweg niet in relevantie te creëren.
Permanente educatie
Tussen werken en studeren door volgde ik ruim veertig cursussen en trainingen: van chemische analyse tot projectmanagement, van communicatie tot coaching, mediation en biomimicry. Leren is voor mij een constante factor gebleven. Nog steeds volg ik jaarlijks cursussen. Dat is waar onderwijs eigenlijk voor bedoeld zou moeten zijn: blijven groeien, telkens aansluiten op je werk en leven.
Oordeel over het huidige onderwijs
Wat heeft dit alles mij gebracht? Mijn oordeel is duidelijk:
- Ons onderwijssysteem is uitermate inefficiënt, sterk gedateerd en vaak vervelend of nutteloos.
- Het houdt eigenlijk geen rekening met individuele capaciteiten en interesses.
- Er wordt te veel nadruk gelegd op feitenkennis, te weinig op vaardigheden.
- Tijd, een schaars goed, wordt massaal verspild.
Het onderwijs zou moeten aansluiten bij de tijdsgeest en bij de behoeften van het kind. Feitenkennis is tegenwoordig overal digitaal beschikbaar. Het is zinvoller kinderen te leren hoe ze kennis kunnen vinden, beoordelen en toepassen, dan ze eindeloos te laten stampen. Daarnaast zou er ruimte moeten zijn voor talentontwikkeling en interesses. Het is niet noodzakelijk om in alles goed te zijn. Iemand die uitblinkt in één domein kan daarmee al grote maatschappelijke waarde creëren. Het afdwingen van brede middelmatigheid leidt vooral tot frustratie en verloren tijd.
Hoe anders zou het moeten?
Onderwijs moet:
- Toekomstgericht zijn: kinderen voorbereiden op een digitale en snel veranderende wereld.
- Efficiënt omgaan met de beperkte tijd van leerlingen.
- Flexibel zijn, zodat tempo en diepgang kunnen verschillen per leerling.
- Vaardigheden centraal stellen: kritisch denken, samenwerken, communiceren, creatief oplossen.
- Op capaciteiten afstemmen, zodat ieder kind zich ontwikkelt in wat het goed kan en graag doet.
Daarbij hoort óók een bredere invulling van wat we onder vorming verstaan. Het huidige onderwijs beperkt zich vooral tot kennisoverdracht, terwijl je later juist veel baat hebt bij het ontwikkelen van communicatievaardigheden, sociale vaardigheden en praktische levensvaardigheden. Hoe run je straks je eigen huishouden? Hoe ga je verantwoord om met geld? Wat betekent het om een gezin te vormen? Hoe ga je om met mensen uit andere culturen en hoe leer je respectvol en nieuwsgierig te zijn in plaats van angstig of bevooroordeeld? Dit soort vorming bereidt kinderen niet alleen voor op de arbeidsmarkt, maar op het leven zelf. In een samenleving die steeds diverser, complexer en sneller verandert, zijn dit misschien wel de meest waardevolle lessen die onderwijs kan bieden.
Conclusie
Voor mij is het reguliere onderwijs vooral een gemiste kans. Het gaf me zeker de basis die nodig was, maar kostte ook eindeloos veel tijd aan nutteloze ballast. De echte waarde kwam pas toen ik vakken leerde die aansloten bij mijn werk en ontwikkeling. Naar mijn mening moet onderwijs dan ook echt anders: Niet blijven hangen in traditie, maar aansluiten bij de werkelijkheid van vandaag én morgen. Wellicht vereist dat ook andere docenten; docenten die niet rechtstreeks uit de schoolbanken voor de klas zijn gaan staan, maar docenten die buiten het onderwijs hebben gewerkt of zelfs nog werken.
Alleen dan is leren geen verspilling, maar een investering in de toekomst.
