De taal van Travoer en Akrendy

“Mama, mag ik die blaren blouse, die vind ik heel mooi?” vraagt het meisje terwijl ze enthousiast naar een rek wijst. Haar moeder kijkt op, fronst even en antwoordt: “Nee liefje, het is inderdaad heel mooi, maar blaren past niet bij roomen. Neem liever iets in travoer of akrendy, dat past veel beter.”

In de wereld van dit artikel is kleur geen begrip. Mensen ordenen hun kleding, hun meubels en hun fruit op basis van abstracte eigenschappen zoals travoerakrendyroomenquarst en hullis. In de rekken hangen broeken die “te veel quarst” uitstralen en jassen die door hun onderliggende hullis ongeschikt zijn voor de koele lente-avonden.

In deze samenleving bestaan geen kleuren. Geen rood, geen blauw, geen groen. Alleen nuances van gevoel, zwaarte, lichtheid, warmte, vibratie – en daarmee in woorden die wij ons als kleurenzieners niet kunnen voorstellen.

Een ouder bekijkt een schilderij en zegt: “Ik vind het mooi hoe de akrendy naar voren komt in contrast met de zachte travoer van de achtergrond.” Een ander knikt begrijpend en antwoordt: “De hullis in de linkerbovenhoek zorgt dat het niet te onrustig wordt.”

Voor wie dit leest, voelt het vreemd. Onbegrijpelijk. Hoe kun je kleding kiezen zonder kleur? Hoe weet je wat past zonder blauw, grijs of zwart? Maar dit is precies hoe het voor een kleurenblinde – of volledig blinde – mens moet zijn wanneer wij spreken over kleuren. Wanneer wij verwijzen naar ‘die mooie, zachte mintgroen’, is dat voor hen wat akrendy met travoer voor ons zou zijn: betekenisloos, tenzij aangeleerd of geassocieerd. (En zo is het ook voor mijn vriendin die na een zwaar hersenletsel niet meer kan ruiken en vrijwel geen smaken meer kan onderscheiden. Alleen ‘weet’ zij nog hoe het was toen ze dat wél kon.)

Over zintuigen en inzicht

Wat we waarnemen vormt de wereld waarin we leven. Niet omdat die wereld objectief zo is, maar omdat onze zintuigen hem zo filteren. Kleur is daar een prachtig voorbeeld van. Kleur is niet iets wat objectief in de wereld aanwezig is; het is het resultaat van lichtgolven, hersenverwerking en ervaring. Wat wij ‘rood’ noemen, is voor een blinde niets anders dan een woord zonder lading, net zoals quarst of hullis voor ons.

Zintuigen zijn geen luxe of misschien ook wel pure luxe (…) Het zijn instrumenten waarmee we betekenis geven aan alles om ons heen. En wat voor de één vanzelfsprekend is, is voor de ander onbereikbaar. Dat is geen drama, maar het vraagt wel om bewustzijn. Wie kleuren kan zien, wie muziek kan horen, wie contrast en scherpte ervaart — die leeft in een wereld die rijker aan nuances is dan hij vaak beseft.

We realiseren ons zelden hoe sterk onze taal, onze cultuur, ons gevoel van schoonheid en onze sociale codes afhankelijk zijn van wat we kunnen waarnemen. Denk aan een verkeerslicht, een schilderij, een zonsondergang, of zelfs aan gezichtsuitdrukkingen. Voor iemand zonder zicht zijn dit abstracties. Voor iemand zonder gehoor geldt hetzelfde voor muziek, toonhoogte of intonatie. En voor iemand zonder tastzin is textuur slechts theorie. Daarom is het zo belangrijk om stil te staan bij twee dingen:

Ten eerste: dat we vaak veel te vanzelfsprekend omgaan met wat we kunnen. We benutten onze zintuigen, maar we eren ze zelden. We gebruiken ze functioneel, maar staan zelden stil bij de rijkdom die ze bieden. Zien is niet alleen oriënteren, maar ook beleven. Horen is niet alleen communiceren, maar ook geraakt worden. Ruiken is niet alleen waarschuwen, maar ook herinneren.

Ten tweede: dat we geneigd zijn om onze eigen waarneming als norm te hanteren. En dat is gevaarlijk. Want het sluit uit. Iemand die niet voelt wat jij voelt, hoort wat jij hoort of ziet wat jij ziet, kan daardoor onterecht als ongeïnteresseerd, onverschillig of dom worden bestempeld. Terwijl het simpelweg kan betekenen dat die persoon op een ander kanaal leeft.

Wie dat inziet, wordt milder. Die begrijpt dat communicatie soms stokt omdat we simpelweg niet dezelfde wereld ervaren. Dat begrip maakt ruimte voor compassie, voor aanpassing, voor wederzijds respect. En misschien ook voor verwondering: hoe verschillend kan mens-zijn zijn?

Laten we daar iets voorzichtiger mee omgaan. En misschien wat dankbaarder ook.