
Geloof en politiek lijken in Nederland gescheiden werelden, maar dat is een illusie. Zodra religieuze overtuigingen de Kamer binnenkomen, kleuren ze beleid en wetgeving. Neutraliteit klinkt mooi, maar bestaat in werkelijkheid niet.
Thorbecke legde in 1848 de basis voor een neutrale overheid, los van kerk en geloof. In theorie zouden bestuur en religie gescheiden moeten zijn, maar in de praktijk is dat een mythe. Politieke partijen met een expliciete religieuze basis bestaan, en zij brengen hun overtuigingen onvermijdelijk mee naar het parlement. Het idee dat een religieus persoon die overtuiging volledig kan uitschakelen zodra hij of zij de Kamer binnenloopt, is een fictie. In een eerder artikel heb ik al betoogd dat het niet realistisch is te verwachten dat een gelovige die scheiding volledig kan maken. Zo kun je onmogelijk verwachten dat iemand voor wie de koe een heilig dier is, een gast ooit rundvlees zal voorschotelen. Of dat iemand voor wie het varken onrein is, zijn bezoek een karbonade serveert. Zo werkt het niet – en zo werkt het ook niet in de politiek.
We doen vaak alsof een religieus politicus “voor iedereen” spreekt, maar religieuze overtuigingen kleuren vrijwel altijd het oordeel. Dat geldt bij ethische kwesties zoals abortus en euthanasie, bij wetgeving over medische keuzes zoals embryonaal onderzoek, en bij de rechten van minderheden zoals LGBTQ+-gemeenschappen. Zodra geloofsregels in conflict komen met de wet of met grondrechten, staat de politicus voor een keuze – en die keuze wordt beïnvloed door overtuiging. Het is dan geen rationeel afwegingsproces op basis van de gehele samenleving, maar een botsing tussen persoonlijke geloofsregels en seculiere normen. En naarmate zijn religie strikter is, is het geen keuze meer.
Een politieke partij met een religieuze basis vertegenwoordigt in de kern de waarden en normen van die religie. Dat is legitiem binnen de vrijheid van vereniging, maar noem het niet neutraal. Het betekent dat niet alle belangen gelijk worden gewogen, hoe mooi het verkiezingsprogramma ook klinkt. Neem bijvoorbeeld de discussie over zondagsrust: voor gelovigen een dag van bezinning, voor anderen een willekeurige beperking van winkel- en werkvrijheid. Toch wordt die religieuze opvatting soms omgezet in breed geldende wetgeving, waarmee de overtuiging van een minderheid of meerderheid aan iedereen wordt opgelegd.
In bestuursfuncties geldt dat belangenverstrengeling moet worden vermeden, maar bij religieuze partijen is de verwevenheid met geloof geen incidenteel risico; het is een uitgangspunt. Het idee dat deze overtuigingen op commando kunnen worden uitgeschakeld, is net zo naïef als denken dat iemand zijn moedertaal vergeet zodra hij een tweede taal leert. Zelfs wie oprecht probeert neutraal te zijn, zal bij gevoelige kwesties geneigd zijn de eigen overtuiging te laten meewegen. En die invloed is vaak onzichtbaar voor de buitenwereld, omdat ze verweven zit in argumentatie, prioritering en beleid.
Een bestuurder hoort het belang van iedereen te vertegenwoordigen, ook van mensen die fundamenteel anders denken of geloven. Maar als je geloofsovertuiging dicteert wat “juist” of “onaanvaardbaar” is, wordt objectieve vertegenwoordiging een theoretisch concept. In de praktijk komt het erop neer dat tegenstanders van jouw religieuze standpunt zelden volwaardig in dat beleid worden meegenomen. Stel je een bestuurder voor die overtuigd is dat homoseksualiteit zondig is; denk je werkelijk dat deze persoon onpartijdig kan stemmen over gelijke huwelijksrechten? Of een bestuurder die gelooft dat de aarde nog maar enkele duizenden jaren oud is; kan die werkelijk objectief beslissen over klimaatwetgeving of onderwijsinhoud?
Neutraliteit bij religieuze kwesties is een illusie. Politiek en religie kunnen naast elkaar bestaan in een democratie, maar het is onzinnig te verwachten dat zij in dezelfde persoon volledig gescheiden kunnen worden. Wie dat beweert, verkoopt een sprookje. En zolang we doen alsof die scheiding vanzelfsprekend is, blijven we het risico lopen dat wetgeving wordt ingegeven door persoonlijke overtuigingen in plaats van door het algemene belang. De eerlijkste weg is erkennen dat religieuze politiek altijd kleur bekent – en daar ook de consequenties van aanvaarden.
En met deze gedachte in het achterhoofd, moge het duidelijk zijn, dat ik nooit op bijvoorbeeld het CDA zal stemmen, ondanks het feit dat ik hun verkiezingsprogramma best zou kunnen onderstrepen.
