
We zijn kampioen in zeuren en oordelen, maar dat maakt niemand gelukkiger. Dit stuk gaat over onverdraagzaamheid, negatieve gedachten en de bevrijding die ontstaat als je die eindelijk loslaat.
We leven in een tijd waarin onverdraagzaamheid steeds meer de boventoon voert. Het lijkt wel alsof overal iets op aan te merken valt. Van het weer tot het eten, van het gedrag van anderen tot hoe iemand zich kleedt: er is altijd wel een reden om te zeuren. Niets lijkt goed genoeg, en wie anders denkt of doet, krijgt direct kritiek. Het is de kunst van het mopperen verheven tot levensstijl.
Het doet vaak denken aan een rijkeluiszoontje dat niets heeft hoeven leren of meemaken, maar dat toch overal een oordeel over klaar heeft. Altijd overtuigd van zijn eigen gelijk, maar zonder de basis om dat gelijk te onderbouwen. Aan de andere kant zie je ook mensen uit achterbuurten die, gehard door hun omgeving, menen dat hun levenservaring automatisch gelijkstaat aan wijsheid. Beide groepen hebben iets gemeen: ze hebben weinig écht geleerd, maar gedragen zich alsof hun visie de norm is. In beide gevallen gaat het niet om inhoud, maar om het gevoel belangrijk te zijn en gehoord te worden.
Die houding beperkt zich niet tot de eigen omgeving. Ook in het buitenland dragen we dit gedrag maar al te vaak mee. Waar een reiziger zich in principe zou moeten aanpassen aan de gewoontes van het gastland, verwachten veel mensen juist het tegenovergestelde: dat anderen zich naar hen voegen. Hoe je autorijdt, hoe je iemand begroet, hoe je in een restaurant bestelt of hoe je afrekent – alles wordt vergeleken met de “eigen” manier. En als die anders blijkt te zijn, dan is dat al snel “fout”.
Neem het autorijden. In Zuid-Europa is bumperkleven bijna een nationale sport, terwijl Nederlanders dat als asociaal ervaren. Toch hoor je Nederlanders in Spanje vaak klagen over de rijstijl van de locals, alsof zij daar de verkeersregels zouden moeten dicteren. Of denk aan begroetingen: in Frankrijk drie zoenen, in Japan een buiging, in Nederland een hand of tegenwoordig een knikje. Telkens zie je dezelfde reflex: wat afwijkt, wordt afgekeurd.
In restaurants valt hetzelfde op. In de Verenigde Staten ligt de rekening vaak al op tafel nog voordat je de laatste hap hebt genomen. Daar is het normaal: snel afrekenen, snel door, want tijd is geld. In Nederland zouden we dat bot of haastig vinden. Maar wie klaagt, vergeet dat hij te gast is in een cultuur waar efficiëntie belangrijker is dan uitgebreid natafelen. Hetzelfde geldt in Azië, waar het meenemen van restjes eten heel gebruikelijk is. Hier wordt dat soms nog gezien als gierig of vreemd, terwijl het daar juist vanzelfsprekend en praktisch is.
De rode draad is telkens dezelfde: onverdraagzaamheid komt voort uit het idee dat onze manier de enige juiste is. Alsof de wereld zich moet plooien naar de standaard van één land, één cultuur of zelfs één individu. Dat idee wordt vaak verpakt in schijnbare logica – “bij ons gaat het beter, dus moet het overal zo” – maar in werkelijkheid is het niets meer dan domme arrogantie.
En het gaat verder dan alleen reizen. Ook binnen Nederland zelf zie je hoe snel mensen klaarstaan met hun oordeel. Of het nu gaat om vegetariërs die met scheve ogen worden aangekeken omdat ze vlees laten liggen, of juist om vleeseters die worden uitgemaakt voor ouderwets, of buren die zeuren over tuinen, muziek of kinderen: iedereen “meent zich wat”.
Het probleem is dat dit gedrag niet alleen irritant is, maar ook verlammend werkt. Als alles bekritiseerd wordt en niets goed genoeg is, ontstaat een samenleving waarin niemand meer durft af te wijken. Creativiteit, diversiteit en nieuwsgierigheid verdwijnen onder een deken van negativiteit.
Misschien is dat wel de kern: onverdraagzaamheid is in feite angst. Angst om het onbekende, angst om te erkennen dat er meerdere manieren zijn om de wereld te leven. Die angst wordt dan verhuld met luidruchtig gezeur, alsof klagen een vorm van macht is. Maar in werkelijkheid is het armoede.
Ik vind dat de titel “Meent zich wat” het mooi samenvat. Het gaat om mensen die hun eigen kleine wereld tot norm verheffen en anderen daaraan proberen te onderwerpen. Ze vergeten dat de wereld veel groter is dan hun straat, hun dorp of hun land. En dat juist het accepteren van verschillen een samenleving rijker en sterker maakt.
Laat los
Toch is de boodschap niet simpelweg: “houd op met je wat te menen”. Dat is te gemakkelijk. De diepere les is dat je niet gelukkig wordt van al je gemopper. Het zijn je eigen gedachten die je nors, negatief en ongelukkig maken. Laat die eerste negatieve reflex los en je kijkt opeens heel anders naar de wereld.
So what dat je in Hongarije geen voorrang kreeg toen je dat formeel wél had? So what dat automobilisten in Italië met (volgens jou) veel te hoge snelheid een kruispunt naderen? Dat iemand in Nederland een boerka draagt, of dat een man bij de bakker voordringt? Is dat werkelijk de moeite waard om je adrenaline te laten stijgen?
Wie zijn negatieve gedachten relativeert, merkt dat er een andere werkelijkheid zichtbaar wordt: een wereld waarin verschillen niet bedreigend zijn, maar verrijkend. Een wereld waarin je niet elke dag je energie verspilt aan ergernis, maar ruimte maakt voor begrip en rust. En een wereld waarin je je realiseert dat jij kiest en dat je dus een andere keuze kunt maken. En dat je kunt kiezen voor een beetje geluk in plaats van ‘je wat te menen’.
