
Steeds vaker lijkt overheidsbeleid te worden gedreven door de waan van de dag. Wat vandaag wordt gestimuleerd, wordt morgen afgeremd. Wat gisteren als oplossing werd gepresenteerd, blijkt enkele jaren later onderdeel van het probleem. Het gevolg is een overheid die wel richting geeft, maar steeds minder voorspelbaar wordt.
Een overheid hoeft niet perfect te zijn. Niemand verwacht dat politici de toekomst kunnen voorspellen of dat iedere beleidsmaatregel succesvol zal blijken. Wat burgers wel mogen verwachten, is een zekere mate van consistentie. Wanneer de overheid een bepaalde richting kiest, mag men ervan uitgaan dat die keuze niet enkele jaren later weer grotendeels wordt teruggedraaid. Juist daar lijkt het steeds vaker mis te gaan.
Wie de afgelopen twintig jaar naar het Nederlandse beleid kijkt, ziet een patroon ontstaan. Burgers worden aangemoedigd om bepaalde keuzes te maken, investeren vervolgens tijd en geld om aan die verwachtingen te voldoen, waarna de overheid de spelregels verandert. Het gevolg is niet alleen financiële schade voor individuele burgers, maar vooral een groeiend wantrouwen in de voorspelbaarheid van de overheid.
Een duidelijk voorbeeld is de elektrische auto. Jarenlang werd elektrisch rijden actief gestimuleerd. Subsidies, belastingvoordelen en andere financiële prikkels moesten ervoor zorgen dat burgers zouden overstappen van de traditionele benzine-auto naar een elektrisch alternatief. Duizenden mensen namen op basis van dat beleid een beslissing die vaak aanzienlijk duurder was dan zij anders zouden hebben gedaan. Inmiddels worden veel van die voordelen weer afgebouwd. Belastingen keren terug, subsidies verdwijnen en elektrisch rijden wordt stap voor stap duurder gemaakt. Natuurlijk kan niet iedere stimuleringsmaatregel eeuwig blijven bestaan, maar voor veel mensen ontstaat wel het gevoel dat zij eerst een bepaalde richting op zijn geduwd om vervolgens te ontdekken dat de uitgangspunten alweer zijn gewijzigd.
Hetzelfde zien we bij zonnepanelen. Jarenlang werd het plaatsen van zonnepanelen gepresenteerd als een verstandige investering voor zowel het milieu als de eigen portemonnee. Burgers investeerden duizenden euro’s in de verwachting dat zij een belangrijk deel van hun elektriciteitsverbruik konden compenseren. Vervolgens ontstond discussie over het afbouwen van de salderingsregeling en introduceerden energieleveranciers terugleverkosten. Daarmee veranderde de economische basis waarop veel huishoudens hun investeringsbeslissing hadden genomen.
Ook rondom warmtepompen en het afscheid van aardgas zien we vergelijkbare ontwikkelingen. Jarenlang werd de boodschap afgegeven dat Nederland van het gas af moest. Huiseigenaren werden aangemoedigd om te investeren in isolatie, warmtepompen en andere duurzame oplossingen. Tegelijkertijd bleek in de praktijk dat het elektriciteitsnet op veel plaatsen onvoldoende capaciteit had om alle nieuwe ontwikkelingen op te vangen. Burgers kregen de indruk dat zij een bepaalde kant op moesten bewegen, terwijl de noodzakelijke randvoorwaarden nog niet op orde waren.
Dat brengt ons bij een ander voorbeeld: de energievoorziening zelf. Jaren geleden werden energiebedrijven geprivatiseerd. Concurrentie zou leiden tot lagere prijzen, meer efficiëntie en betere dienstverlening. Op papier klonk dat logisch. In de praktijk zien we nu een elektriciteitsnet dat op veel plaatsen tegen zijn grenzen aanloopt. Bedrijven kunnen soms geen aansluiting krijgen, nieuwbouwprojecten lopen vertraging op en netbeheerders waarschuwen voor capaciteitsproblemen. Natuurlijk is dit niet uitsluitend het gevolg van privatisering, maar het roept wel de vraag op of de overheid voldoende langetermijnvisie heeft gehad op een voorziening die voor de hele samenleving van vitaal belang is.
De gevolgen daarvan worden inmiddels zichtbaar op terreinen die op het eerste gezicht weinig met energie te maken lijken te hebben. Nederland kampt met een woningtekort en burgers worden aangemoedigd om niet groter te wonen dan noodzakelijk. Appartementen worden gepresenteerd als een logisch antwoord op de schaarste aan woonruimte. Tegelijkertijd heeft dezelfde overheid jarenlang het gebruik van elektrische auto’s gestimuleerd. Het is dan ook niet vreemd dat steeds meer bewoners van nieuwe appartementencomplexen elektrisch rijden of dat binnenkort willen doen. Toch wordt daar bij veel nieuwbouwprojecten onvoldoende rekening mee gehouden. Het komt voor dat een gebouw met tientallen appartementen slechts enkele laadpunten krijgt, terwijl het aantal elektrische auto’s onder de bewoners vele malen hoger ligt. Wanneer vervolgens wordt gekeken naar uitbreiding van de laadvoorzieningen, blijkt dat de netaansluiting daarvoor onvoldoende capaciteit heeft en dat vergroting voorlopig niet mogelijk is vanwege de druk op het elektriciteitsnet. De bewoners worden daarmee geconfronteerd met de gevolgen van beleid dat op verschillende terreinen onvoldoende op elkaar lijkt te zijn afgestemd. Eerst wordt een bepaalde ontwikkeling gestimuleerd, vervolgens blijkt de noodzakelijke infrastructuur niet beschikbaar en uiteindelijk mogen burgers zelf uitzoeken hoe zij het probleem oplossen.
Hetzelfde vraagstuk speelt binnen de gezondheidszorg. Ook daar werd marktwerking geïntroduceerd met het idee dat concurrentie tot betere prestaties zou leiden. Zorgverzekeraars moesten concurreren om de gunst van de consument en zorginstellingen zouden efficiënter gaan werken. Inmiddels betalen we jaarlijks hogere premies, neemt de administratieve last verder toe en ervaren veel burgers vooral een steeds ingewikkelder systeem. De beoogde voordelen van concurrentie zijn voor de gemiddelde patiënt moeilijk zichtbaar, terwijl de nadelen wel degelijk merkbaar zijn.
Een belangrijk neveneffect van dergelijke privatiseringen is dat samenwerking vaak plaatsmaakt voor versnippering. Waar vroeger één publieke organisatie verantwoordelijk was voor een taak, ontstaat een landschap van afzonderlijke organisaties die ieder hun eigen budget, systemen, managementlagen en doelstellingen hebben. Wat ooit intern werd afgestemd, vereist nu contracten, controles, aanbestedingen en onderhandelingen. De theorie spreekt over efficiëntie door marktwerking, maar de praktijk laat vaak zien dat een deel van die winst weer verloren gaat aan coördinatie en toezicht. Iedere organisatie wordt een profitcenter met eigen belangen, terwijl het gezamenlijke belang naar de achtergrond dreigt te verdwijnen.
Zelfs het openbaar vervoer laat zien hoe moeilijk het is om consistent beleid te voeren. Jarenlang werd de auto ontmoedigd en werd het openbaar vervoer gepresenteerd als duurzaam alternatief. Tegelijkertijd zien reizigers stijgende tarieven, drukke treinen, personeelstekorten en discussies over het in stand houden van verbindingen die maatschappelijk wenselijk zijn maar commercieel minder aantrekkelijk. Ook hier ontstaat de vraag of publieke belangen altijd goed samengaan met bedrijfsmatige doelstellingen.
De kern van het probleem lijkt niet te zijn dat de overheid fouten maakt. Fouten maken is onvermijdelijk. Het echte probleem ontstaat wanneer beleid voortdurend van richting verandert of wanneer verschillende beleidsdoelen elkaar tegenwerken. Burgers en bedrijven nemen beslissingen die soms tien, twintig of zelfs dertig jaar doorwerken. Zij investeren in woningen, auto’s, energievoorzieningen en ondernemingen op basis van verwachtingen die mede door de overheid worden gecreëerd. Wanneer die verwachtingen telkens wijzigen, ontstaat onzekerheid.
En onzekerheid heeft gevolgen. Niet alleen financieel, maar ook maatschappelijk. Mensen worden terughoudender om te investeren. Bedrijven stellen beslissingen uit. Burgers verliezen vertrouwen in de beloften van de overheid. Op termijn kan dat zelfs schadelijker zijn dan een minder geslaagde beleidsmaatregel.
Misschien ligt daar de belangrijkste les. Burgers verwachten niet dat een overheid altijd gelijk heeft. Wat zij wel mogen verwachten, is een overheid die verder kijkt dan de volgende verkiezingen, die rekening houdt met de langetermijngevolgen van haar besluiten en die niet voortdurend van koers verandert zodra de politieke wind draait. Nog belangrijker is dat beleid op verschillende terreinen met elkaar in overeenstemming wordt gebracht. Het heeft weinig zin om elektrisch rijden te stimuleren wanneer de laadinfrastructuur achterblijft, om mensen naar appartementen te laten verhuizen zonder rekening te houden met hun toekomstige mobiliteit, of om van het gas af te willen terwijl het elektriciteitsnet daar nog niet op voorbereid is.
Want een overheid die vandaag het ene stimuleert en morgen het tegenovergestelde, loopt uiteindelijk het risico dat burgers helemaal nergens meer in geloven. En wanneer vertrouwen eenmaal verloren gaat, blijkt dat vaak veel moeilijker te herstellen dan een elektriciteitsnet, een zorgstelsel of een energiesysteem.
