
Naast een bestaand netwerk verschijnt een tweede. Soms zelfs een derde. En dan vraag ik me af: waarom? Is één glasvezelkabel niet voldoende?
Waarom leggen we eigenlijk meerdere glasvezelnetwerken aan? Je ziet het overal. De straat gaat open. Er worden wekenlang sleuven gegraven, stoepen opgebroken en parkeerplaatsen afgesloten. Niet omdat een wijk voor het eerst een glasvezelaansluiting krijgt, maar omdat er nóg een glasvezelkabel wordt aangelegd.
Vrijwel alle internetaanbieders leveren tegenwoordig televisie, internet en telefonie via glasvezel. In veel gebieden draait dat al probleemloos over één fysiek netwerk waarop meerdere providers actief zijn. Dat is technisch helemaal niet bijzonder. Sterker nog: het elektriciteitsnet wordt ook niet voor elke energieleverancier opnieuw aangelegd. We hebben één waterleidingnet, één rioleringsnet en één wegennet waarop verschillende bedrijven hun diensten aanbieden. Waarom zou dat voor glasvezel anders moeten zijn?
Concurrentie of kapitaalvernietiging?
Voorstanders wijzen terecht op het belang van concurrentie. Concurrentie houdt prijzen laag en stimuleert innovatie. Maar daarvoor hoeft niet iedere aanbieder een eigen kabel in de grond te stoppen. Concurrentie kan immers ook plaatsvinden op één gedeelde infrastructuur. Dat gebeurt al jaren succesvol in verschillende landen. De eigenaar van het netwerk verhuurt capaciteit aan aanbieders, die vervolgens met elkaar concurreren op prijs, service, snelheid en aanvullende diensten. Dat voorkomt dubbele investeringen én dubbele overlast.
Wat we nu zien, lijkt eerder op een wedstrijd waarin bedrijven proberen als eerste zoveel mogelijk fysieke infrastructuur te bezitten. De rekening daarvan komt uiteindelijk altijd ergens terecht: bij investeerders, gemeenten of consumenten.
De maatschappelijke kosten
Een tweede glasvezelnetwerk betekent:
- opnieuw graafwerkzaamheden
- extra CO₂-uitstoot door machines en transport
- meer grondstoffen
- hogere onderhoudskosten
- grotere kans op schade aan bestaande kabels en leidingen
- extra hinder voor bewoners
En dat allemaal terwijl de eerste glasvezelkabel vaak nog lang niet volledig wordt benut. Vanuit duurzaamheid is dat moeilijk uit te leggen.
Dezelfde fout in de ruimte
In de ruimte lijkt iets vergelijkbaars te gebeuren: Steeds meer bedrijven bouwen enorme satellietconstellaties om wereldwijd internet aan te bieden. De bekendste is Starlink met inmiddels al meer dan tienduizend satellieten in een lage baan om de aarde. Maar dat is niet de enige. Amazon bouwt aan Project Kuiper en heeft inmiddels honderden satellieten gelanceerd. Uiteindelijk moeten dat er meer dan drieduizend worden. Andere bedrijven en landen werken eveneens aan vergelijkbare netwerken.
Het gevolg? Steeds meer objecten draaien rond de aarde. Dat vergroot de kans op botsingen, creëert meer ruimtepuin, bemoeilijkt astronomisch onderzoek en maakt het beheer van de ruimte steeds ingewikkelder. Ook hier rijst dezelfde vraag. Moeten we werkelijk meerdere vrijwel identieke wereldwijde infrastructuren bouwen? Of zouden we ook hier meer moeten samenwerken op één gedeelde basis?
De infrastructuur is niet het product
De echte waarde van een internetprovider zit tegenwoordig niet meer in de glasvezelkabel of de satelliet. Klanten kiezen op basis van bijvoorbeeld:
- prijs
- klantenservice
- betrouwbaarheid
- duurzaamheid
- snelheid
- aanvullende diensten
- beveiliging
- streamingpakketten
- zakelijke oplossingen
Geen enkele consument sluit een abonnement af omdat de glasvezelkabel van de aanbieder mooier is dan die van de andere of omdat die satelliet net wat mooier glimt. Beiden zijn slechts transportmiddelen voor data. Net zoals niemand kiest voor een elektriciteitsleverancier omdat de koperdraden anders zijn.
Tijd voor een andere manier van denken
De digitale infrastructuur wordt steeds belangrijker voor onze samenleving. Juist daarom zouden we haar moeten behandelen als een basisvoorziening. Investeer in één hoogwaardige, betrouwbare en toekomstbestendige fysieke infrastructuur waarop iedere aanbieder gelijke toegang heeft. Laat bedrijven vervolgens concurreren op dienstverlening, innovatie en kwaliteit. Dát levert echte keuzevrijheid op, zonder dat dezelfde straat meerdere keren hoeft te worden opengebroken of de ruimte steeds voller raakt met parallelle netwerken.
Concurrentie is gezond. Dubbele infrastructuren zijn dat zeker niet.
