Winst voorbij de horizon

In het vorige hoofdstuk werd duidelijk hoe aandeelhouders en bestuurders elkaar gevangen houden in kortetermijndenken. De vraag is nu niet langer waarom dit fout gaat — dat weten we. De vraag is hoe het anders kan. Hoe een economisch model eruitziet waarin bestuurders toekomstgericht handelen en aandeelhouders niet langer wegkomen met vluchtig kapitaalgedrag.

Van rendement naar continuïteit

Het fundament van het huidige systeem is verkeerd georiënteerd: winst wordt gezien als doel in plaats van als gevolg van duurzame continuïteit.Een gezond bedrijf zou niet worden beoordeeld op kwartaalcijfers, maar op zijn vermogen om over tien jaar nog relevant te zijn. Dat vraagt om een herdefinitie van winst: Winstuitkering mag pas plaatsvinden als bewezen is dat strategische en maatschappelijke doelen zijn bereikt: innovatie, verduurzaming, personeelsontwikkeling en langetermijnstabiliteit. Een verplicht percentage van elke jaarwinst zou moeten terugvloeien naar onderzoek, opleiding en de duurzame transitie van het bedrijf.
Zolang beloningen zijn gekoppeld aan koers en winst per kwartaal, blijven bestuurders denken in maanden, niet in jaren. Dat moet radicaal anders. Beloning hoort te worden gekoppeld aan toekomstwaarde — aan wat een bestuurder nalaat, niet aan wat hij vandaag oplevert. Bonussen moeten pas na vijf tot tien jaar volledig tot uitbetaling komen, afhankelijk van de daadwerkelijke veerkracht van het bedrijf. Strategische prestatie-indicatoren moeten niet draaien om groei, maar om innovatiegraad, technologische vernieuwing, CO₂-reductie en talentbehoud. En waar bestuurders bewust misleiden over risico’s of strategische achterstanden, hoort persoonlijke aansprakelijkheid te gelden.
Bestuur is geen tijdelijk verdienmodel, maar een vorm van rentmeesterschap. Wie leiding geeft, beheert niet het heden, maar de toekomst van anderen.

Aandeelhouders met betrokkenheid

De aandeelhouder van vandaag is zelden meer eigenaar in de klassieke zin; hij is handelaar in tijd. Kapitaal komt en gaat met de snelheid van software, zonder enige betrokkenheid bij de onderneming zelf. Dat maakt structureel beleid onmogelijk. Het eigendomsrecht zou daarom gradueel moeten worden. Alleen wie aandelen langdurig aanhoudt, bijvoorbeeld drie jaar of langer, krijgt volwaardig stemrecht. Dividendbelasting moet progressief zijn: hoe korter de bezitstermijn, hoe hoger de heffing. En beursgenoteerde bedrijven moeten verplicht rapporteren hoe hun aandeelhouderswaarde zich verhoudt tot maatschappelijke waardecreatie. Wie wil profiteren van eigendom, moet ook verantwoordelijkheid dragen voor de gevolgen ervan.

Governance 2.0

Bedrijven met substantiële maatschappelijke impact zouden niet meer enkel commerciële entiteiten moeten zijn, maar maatschappelijke instituties met wettelijke verantwoordelijkheden. De rechtsvormen bestaan al: Public Benefit Corporations in de VS, of stichtingsstructuren met een onafhankelijke strategische waakhond. Europa zou dat kunnen vertalen naar een juridisch kader waarin maatschappelijke continuïteit even zwaar weegt als winst. Ook overheden hebben hierin een rol: niet als subsidiegever van falend beleid, maar als voorwaardenschepper. Een Europees raamwerk dat kortetermijnspeculatie ontmoedigt, duurzame governance afdwingt en strategische investeringen fiscaal beloont, zou de norm moeten zijn.

Van opportunisme naar rentmeesterschap

Geen systeem houdt stand zonder mentaliteitsverandering. Bestuurders en aandeelhouders moeten opnieuw leren denken in generaties, niet in kwartaalgrafieken. Dat begint met transparantie, certificering van bestuurders op langetermijnbeleid en publieke verantwoording over beloningen en dividendbeleid. De essentie is eenvoudig: winst is geen bewijs van succes zolang ze wordt behaald ten koste van de toekomst.

Moment van bezinning

We leven in een economie waarin mensen sneller wisselen van werkgever dan van overtuiging, en kapitaal sneller beweegt dan visie. Bestuurders zien bedrijven als doorgangsstations; aandeelhouders als tijdelijke beleggingsinstrumenten. En toch verwachten we stabiliteit, innovatie en maatschappelijke verantwoordelijkheid. Dat is een illusie. Een duurzame economie vraagt om leiders die durven bouwen aan iets dat zij zelf niet meer zullen afmaken. Om aandeelhouders die begrijpen dat waarde pas echt ontstaat wanneer ze blijft bestaan. En om samenlevingen die beseffen dat groei zonder richting uiteindelijk niets anders is dan georganiseerde verspilling.
De nieuwe economie begint niet met meer regels, maar met een nieuw kompas: continuïteit boven rendement, verantwoordelijkheid boven beloning. Maar zelfs met het juiste kompas blijft één vraag over: wie zet de eerste stap?