
Stel dat een arts je vandaag vertelt dat je nog ongeveer één jaar te leven hebt. Niet één dag, niet één week, maar een jaar. Lang genoeg om na te denken, afscheid te nemen en keuzes te maken, maar kort genoeg om te beseffen dat je tijd eindig is. Wat zou je morgen anders doen?
De eerste reactie is vaak dat mensen een wereldreis zouden maken, eindelijk die droomauto zouden kopen of hun bucketlist zouden afwerken. Maar ik denk dat de meeste mensen, zodra de eerste schok is verdwenen, iets heel anders zouden doen. Ze zouden niet zozeer nieuwe dingen toevoegen aan hun leven, maar juist veel dingen schrappen. Vergaderingen die nergens toe leiden, eindeloze discussies, verplichtingen waar niemand echt beter van wordt en contacten die vooral energie kosten. Ineens wordt glashelder wat werkelijk belangrijk is en wat slechts de agenda vult.
Opmerkelijk genoeg hebben we dat besef niet nodig omdat we ziek zijn. We hebben het nodig omdat we ons leven organiseren alsof de tijd onbeperkt is. We spreken af “als het wat rustiger is”, we bellen die oude vriend “volgende maand” en beginnen “na de vakantie” met datgene wat we eigenlijk al jaren willen doen. Het woord later is misschien wel het meest verraderlijke woord in onze taal. Het suggereert dat er altijd nog een volgend moment komt, terwijl niemand die garantie heeft. Het leven kent bovendien geen natuurlijke afronding. Mensen overlijden zelden op het moment dat alles af is. De verbouwing is nog niet klaar, de reis staat nog gepland, de pensioenjaren moeten nog beginnen en dat etentje met een oude bekende wordt opnieuw vooruitgeschoven.
Vrijwel iedereen laat plannen achter die bedoeld waren voor een later moment. Dat zie je ook terug in wat mensen achteraf het vaakst betreuren. Zelden hoor je iemand zeggen dat hij harder had willen werken, meer e-mails had moeten versturen of een grotere televisie had willen kopen. Veel vaker gaat het over gemiste kansen, uitgestelde ontmoetingen, te weinig tijd voor dierbaren of jarenlang blijven hangen in een situatie die eigenlijk al lang niet meer gelukkig maakte. Opvallend is dat die spijt meestal niet voortkomt uit verkeerde beslissingen, maar uit beslissingen die nooit zijn genomen. Misschien komt dat omdat onze grootste schaarste allang geen geld meer is, maar aandacht. We leven in een tijd waarin alles om onze aandacht strijdt. Onze telefoon piept voortdurend, sociale media trekken aan ons, nieuws is altijd beschikbaar en iedere vrije minuut lijkt gevuld te moeten worden.
We zijn drukker dan ooit, maar druk zijn is niet hetzelfde als bewust leven. Misschien is er daarom een eenvoudige vraag die we onszelf vaker zouden moeten stellen. Niet alleen wanneer we ziek worden, maar juist nu. Zou ik mijn tijd hieraan besteden als ik wist dat ik nog één jaar te leven had? Dat betekent niet dat je morgen je baan moet opzeggen of alle verantwoordelijkheden moet loslaten. Verantwoordelijkheden blijven bestaan en rekeningen moeten gewoon worden betaald. Maar het kan wel helpen om scherper te onderscheiden wat werkelijk waarde toevoegt aan je leven en wat je alleen doet omdat je eraan gewend bent geraakt.
Het bijzondere is dat niemand weet hoeveel tijd hij nog heeft. De één leeft nog vijftig jaar, de ander nog vijf of misschien slechts één. Juist omdat we dat niet weten, behandelen we tijd vaak alsof er altijd voldoende van is. Terwijl tijd de enige grondstof is die je, eenmaal besteed, nooit meer terugkrijgt.
Misschien is dat uiteindelijk de belangrijkste vraag. Niet hoeveel jaren je nog hebt, maar of je vandaag je tijd besteedt aan de mensen, de dingen en de ervaringen die er werkelijk toe doen. Want uiteindelijk is een mensenleven niets anders dan de optelsom van alle momenten waaraan we onze tijd en aandacht hebben gegeven.
